Nu, ongeveer een jaar na de legendarische herderstocht van 2009 bedenk ik opeens dat het niet moet kunnen dat het verhaal van deze barre tocht geen plaatsje heeft gekregen in de verhalentrommel van de Chute site.

Maar gelukkig, beter laat dan nooit, zal ik mijn herinneringen aan deze geweldige tocht vol verbroedering en vooral heel veel sneeuw even voor je oprakelen uit het diepste, achterste en binnenste van mijn brein om nog één keer terug te denken aan dat legendarische moment in mijn leven. En dat meen ik serieus, want legendarisch wás het.

 

Op 20 december 2009 vertrok vanuit het kleine roemruchte plaatsje Nieuwendijk een groepje dik ingepakte jongeren. Natuurlijk is het bij de Herderstocht de bedoeling dat men gedropt wordt, maar er was die middag een grote heisa om de Herderstocht heen geweest en alle ouders hadden geweigerd met dit weer de auto uit de garage te halen. De gevoelstemperatuur moest minimaal min 30 zijn geweest en het groepje leek dan ook meer op een kluit verdwaalde skippyballen, dan op Chuters. Zo dik was men ingepakt.

Als in een karavaan trok men rustig, maar niet stilletje over de Kil, zodat ze niet zouden uitglijden. Speels werden er wat sneeuwballen heen en weer gegooid en er werd vrolijk gekletst. Niemand anders waagde zich met dit weer buiten en de straten waren dan ook uitgestorven.

Maar plots, precies op het punt waar de Chute de polder in zou trekken en zich volledig in het onherbergzame landschap zou voegen, kwam een helder licht hen tegemoet. Groter en groter werd het, alsof ze er bijna door werden opgeslokt. Hoewel men het niet uitsprak zal toch menig Chuter gedacht hebben dat er engelen uit de hemel nedergedaald kwamen om de komst van het Kind aan te kondigen. Maar nee. Het was een auto. Een grote auto met een enorme laadbak. En voor de bestuurder het goed had kunnen beseffen was Maarten Verschoor al voor de auto gesprongen en dwong de vader die zich, samen met zijn ongeveer 8-jarige dochtertje, met dit weer buiten waagde de club mee te nemen de polder in.

Zo gezegd, zo gedaan, en een minuut later zat de groep achter in de laadbak en schoot de auto zwiepend over het polderweggetje. Sommige mensen keken elkaar angstig aan, omdat de man blijkbaar dacht dat het cool was als hij af en toe voor de grap zijn stuur even een zwieper zou geven. Andere keken weer alsof ze de avond van hun leven hadden, en een derde groep keek mateloos chagrijnig omdat ze hun sigaret niet aankregen.

Uiteindelijk werden ze afgezet bij het échte beginpunt van de tocht en trokken ze de verlaten paden van de polder in. Sneeuw tot de knieën. Op sommige punten zelfs hoger. En als je zo slim was om helemaal achteraan te gaan lopen zodat je in het spoor van andere kon stappen was er wel een of andere fijne Chuter die zou zorgen dat ook jij níét droog en warm weer op de Chute zou aankomen. Toch liepen de irritaties niet hoog op. De speelsheid bleef de hele tocht behouden, alsof iedereen begreep dat dit de ultieme avond van verbroedering was. De Chuters, alleen met het landschap en elkaar. Mensen die normaal nooit met elkaar praatten begonnen nu een gesprek, en er ontstond zelfs een kortstondige romance tussen Lisa Kraaij en Richard van der Stelt. Hoewel men ook zou kunnen zeggen dat die er voor de Herderstocht al was, en dat de Herderstocht alleen de ideale datum was om het tot uiting te laten komen.

 

Verder en verder trok de groep de polder in, en de sneeuw kwam ook alsmaar hoger te staan. Er was in de verste omtrek geen levend wezen meer te bekennen. Totdat plotseling een paar mensen die voorop liepen keihard begonnen te gillen. Ze liepen net door een gebied met bomen aan beide zijden van de weg en in de schemering voor zich zagen ze een man staan. Roerloos en donker als een schim. Wat deed een man zo laat in de avond, alleen, met dit weer in de uitgestrekte velden rond Nieuwendijk? Het kon niet anders dan dat hij de groep kwam vermoorden. Of dat hij iemand had vermoord en net het lijk ergens in de polder had verstopt. Hij móést wel slechte bedoelingen hebben. Maar toen ze dichterbij kwamen, en een paar onverschrokken Chuters gewoon op de man afrenden bleek dat hij helemaal niet stond. Hij hing. Roerloos aan een boom, met een touw om zijn hals. Dood. Dood in hoeverre iets dood kan zijn wat nooit geleefd heeft. Want opeens begonnen Dion Heiblom en Henri Koekkoek, die de tocht hadden voorbereid keihard te lachen en bleek het een lappen pop te zijn die ze eerder die dag hadden opgehangen. Ze knoopten het touw los en liepen de rest van de reis omstebeurt met de pop op hun rug, terwijl ze complimenten kregen over de goede grap.

Na dit verschrikkelijk enge avontuur kwamen ze al snel bij een soort boswachterhut aan, waar ze met zijn alle onder het genot van wat gloeiend hete chocomelk de reis tot nu toe bespraken en een besneeuwde groepsfoto maakten.

Toen de groep weer verwarmt was zetten ze de barre tocht voort en trokken verder door de besneeuwde velden. De sneeuw leek alsmaar hoger en hoger te komen en er waren Chuters die al zo nat en koud waren dat ze er plezier in kregen om met een aanloop in een grote hoop sneeuw te springen. Of zelfs over een besneeuwde sloot (waarvan je al bijna niet meer zag dat het een sloot was). Dit ging een aantal keren goed, totdat Henri ineens missprong en met zijn voeten in het water belandde. Gelukkig maken vele handen ligt werk en trokken de Chuters met z’n allen Koekkoek er binnen enkele seconden uit. Zijn schoenen en broekspijpen waren kleddernat en vreselijk koud, maar hij liep onverschrokken door en leek het eerder grappig dan vervelend te vinden.

 

Inmiddels zijn wij op het deel van de reis beland waar menig Chuter moe begon te worden. ‘Hoe lang duurt het nog?’ was een veelgestelde vraag, waarna Henri of Dion de vraagsteller moest teleurstellen met een karig ‘We zijn ongeveer op de helft.’ Sommigen begonnen te klagen over de kou of dat ze moe waren. Andere begonnen chagrijnig of stil te worden, het was duidelijk, de tocht begon zijn tol te eisen. Terwijl de mensen met de goede conditie en onverschrokken energie nog lachend over verschillende sloten sprongen, strompelde de minderbedeelde er wat triestig achteraan. Maar niets was minder waar; ze waren dan misschien wel moe, en een tikkeltje chagrijnig; het niet naar je zin hebben kon die avond niet.

Zeker niet toen men ontdekte dat men in de verte de lichten al weer kon zien branden. De laatste etappe was in zicht. En hoewel menig het inmiddels zwaar begon te krijgen, zette men onverschrokken door, hoewel het laatste stuk wel het lastigst bleek te zijn. Men moest tussen slootjes en prikkeldraad heen schuifelen en er ontstond ook even paniek toen bleek dat Lieke Colijn bepaalde schoenen had aangetrokken waardoor ze om de 3 seconden bijna in het slootje gleed, maar uiteindelijk werd ze door drie bereidwillige helpers die haar vasthielden langs de slootkant geloodst, waarna ze uiteindelijk met gejuich werd ontvangen toen ze de hindernis voorbij was.

Nu waren de huizen duidelijk te onderscheiden, en ze hoefden alleen nog illegaal een paar weilanden over om weer op de begaanbare wegen te komen. Nog even waren ze bang om ontdekt te worden, maar dit was niet het geval.

 

Uitgeput liepen ze het laatste stukje over de dijk terug naar het Chutegebouw, waar ze door Alberdina van der Stelt werden ontvangen. De groep besprak de reis onder het genot van een heerlijk kopje erwtensoep en vertrokken daarna laat in de avond een voor een uit het gebouw om deze avond nooit meer te vergeten.

Deze legendarische avond van verbroedering, lijden en vriendschap.